Interview met Ineke van Kessel, die onderzoek deed naar de geschiedenis van de ruim drieduizend West-Afrikanen die tussen 1831 en 1872 dienst namen in het ´leger van Oranje´ (Nationaal Archief Magazine, 2005/2).

Zwart in dienst van Oranje

Fort St. George d’Elmina aan de kust van het huidige Ghana was in voorbije eeuwen een belangrijk steunpunt voor de Nederlandse handel in goud en slaven. Hiervandaan werden scheepsladingen Afrikanen weggevoerd om de plantages te bewerken in het Caraïbisch gebied, de Antillen en Suriname. Ruim drieduizend West-Afrikanen vertrokken echter niet als slaaf uit Elmina, maar als soldaat in het KNIL, het koloniale Nederlands-Indische lege r. Tussen 1831 en 1872 namen zij dienst in het leger van ‘Oranje’. Ineke van Kessel van het Afrika Studie Centrum schreef over die onbekende geschiedenis het boek ‘Zwarte Hollanders’.
Het Koninklijk Nederlands-Indisch leger, kortweg KNIL, wierf de jonge mannen uit West Afrika omdat er een groot tekort aan nieuwe rekruten was. Door de afscheiding van België was het reservoir aan mankracht voor het leger gehalveerd. De werving van soldaten uit bijvoorbeeld Duitsland en Zwitserland ging niet door vanwege de invoering van de nationale dienstplicht in veel Europese landen. En in Nederland was de aantrekkingskracht van het koloniale leger aanzienlijk verkleind doordat er zeer veel soldaten in de Java-oorlog waren omgekomen.
Zo kwam het dat de zwarte West-Afrikaan Willem van der Puije op 16 december 1831 inscheepte voor een drie maanden durende overtocht naar Nederlands-Indië. Van der Puije was de eerste Afrikaanse soldaat die tekende als Nederlandse soldaat overzee. Hij zou twintig jaar in Nederlands-Indië blijven, vrijwillig. Zijn ‘gedane veldtogten, bekomene wonden en uitstekende daden’ zijn nauwgezet bijgehouden in de stamboeken van het Koloniale Nederlands-Indische Leger, kortweg het KNIL, die het Nationaal Archief bewaart.

De zwarte met het witte hart
Ineke van Kessel weet zijn gegevens blindelings in het archief te vinden, zo blijkt als ze haar verhaal doet in het archief. Voor haar boek heeft ze de laatste jaren de werving van de zogeheten ‘zwarte Hollanders’ volledig in kaart gebracht. In het begin, tussen 1831 en 1836 ging het veel moeilijker dan men had gehoopt. Niet meer dan honderdvijftig Afrikanen vertrokken, deels op vrijwillige basis naar Indië. Nederland besloot daarom de zaken anders aan te pakken. In 1837 reisde generaal-majoor Jan Verveer naar Kumasi om daar namens Koning Willem I een verdrag te sluiten met de Koning van de Ashanti. Die zou duizend KNIL-soldaten leveren, in ruil voor geweren en kruit. Als onderpand gaf de koning zijn zoontje en zijn neefje mee, zij kregen in Nederland een Europese opvoeding. In zijn roman ‘De zwarte met het witte hart’ beschrijft Arthur Japin de lotgevallen van deze twee prinsjes.
Ineke van Kessel hoorde twintig jaar geleden voor het eerst van de werving van West-Afrikaanse soldaten voor het KNIL en bedacht toen al dat ze daar meer van wilde weten. ‘Ik was altijd al geïnteresseerd in Indonesië en Ghana en ik vond dit zo’n gek verhaa l. Dat niemand het kende vond ik een uitdaging. Toen ik eenmaal bezig was, ontdekte ik de diepere lagen, waarbij de kwestie van de verschuivende identiteit van deze soldaten me het meest heeft beziggehouden.’

Militaire stamboeken
Amateuronderzoeker Daan Cordus heeft een belangrijke rol gespeeld in de totstandkoming van Van Kessels boek. Cordus stamt af van de Belanda Hitam, zoals de groep zwarte Hollanders in Indië werd genoemd. Zelf fervent onderzoeker van zijn familiegeschiedenis, vertelde Cordus Van Kessel dat hij in het archief een groep studenten had ontmoet die onder leiding van hun docente Silvia de Groot archiefonderzoek deed in de militaire stamboeken. Van Kessel zocht die docent later op. ‘De Groot was inmiddels met pensioen. Ik heb een hele middag bij haar gezeten en de scripties van haar studenten bestudeerd. Uiteindelijk zei ze: “Ik ben al tachtig en ik ga dat boek niet meer schrijven, dat moet jij maar doen”. Daarop gaf ze me een enorme boodschappentrolley vol met scripties en kopieën van archiefmateriaa l. Ik ben terug naar huis gegaan met die tas op piepende wieltjes en ben gaan uitpakken. Er zat onder andere een kopie in van het verdrag van Verveer en een uitgebreid archiefstuk uit 1850, waarin de werving tot dan toe werd beschreven. De scripties waren niet allemaal even goed maar wel heel gedisciplineerd in hun bronvermelding. Ik had daarmee prachtig materiaal in handen. Bovendien had ik via Daan Cordus contact met afstammelingen, oude mensen die nog in Indië geboren waren. Het schrijven van dit boek werd plotseling urgent.’

Ghanees telefoonboek
In het Nationaal Archief begon Ineke van Kessel met een cursus om te leren werken met de militaire stamboeken. Daarnaast heeft ze veel onderzoek verricht in het archief van het Ministerie van Koloniën, een groot archief dat echter in een heel goede staat verkeert. Dat geldt niet voor het archief van de Nederlandse bezittingen aan de kust van Guinee: ‘Dat archief bestrijkt een lange periode, er zitten veel hiaten in. Het is al lang geleden op film gezet en slecht leesbaa r. Ik was soms een dag bezig met een document en ben daar uiteindelijk mee opgehouden. De gegevens uit dat archief heb ik vooral uit de studentenscripties gehaald en daarna heb ik toestemming gekregen om die te controleren in het originele archief.’ Van Kessel deed verder onderzoek in het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Archief van de Staatssecretarie en het Kabinet des Konings. Onderzoek in het archief van het Ministerie van Oorlog leverde weinig op.
Daarnaast interviewde ze in Nederland wonende afstammelingen van de Zwarte Hollanders. ‘Je kunt het verhaal aanvullen met hun eigen belevenissen, vanaf 1920, oudere verhalen zijn niet betrouwbaa r. Het is spannend dat het de geschiedenis van een bestaande groep mensen is. Je weet dat er een groep mensen is die je volgt, je hebt een publiek. Het is minder eenzaam omdat je regelmatig kunt vertellen wat je hebt gevonden. In Ghana heeft Ineke van Kessel nog geprobeerd in contact te komen met de afstammelingen van Willem van der Puije. ‘Die naam staat nog steeds in het telefoonboek en ik heb de familie gebeld. Helaas wisten ze niets over de geschiedenis van hun voorvaderen en hadden ze dus ook geen behoefte aan een gesprek daarover. ’

Negers als Zwitsers
Eenmaal in Nederlands-Indië konden de Afrikaanse soldaten in het KNIL aanspraak maken op een Europese behandeling. Dat is opmerkelijk omdat Nederland pas in 1863 de slavernij afschafte. Volgens Ineke van Kessel was het echter niet zo dat alle Afrikanen als slaaf werden beschouwd: ‘De Afrikanen die in dienst van de Nederlanders werkten aan de Goudkust werden ook betaald, maar niet naar Europese normen.’
Nederland vaardigde in 1814 een verbod op de slavenhandel uit en sloot in 1818 een verdrag met Engeland waarin schepen van beide naties over en weer het recht hadden elkaars schepen te visiteren. Deze inspecties waren geen probleem, want de troepentransporten leken niet op slaventransporten.
In Engeland lag de discussie over slavenhandel en slavernij in elkaars verlengde, in Nederland veel minde r. De Afrikaanse KNIL-soldaten kregen een acte van manumissie en werden als Europeaan behandeld, en dus kon Den Haag tegen Londen zeggen dat hier geen sprake was van verkapte slavenhande l. In Nederland was de afschaffing van de slavernij geen brandende kwestie. De discussie bij de soldatenwerving ging dan ook niet of nauwelijks over de vraag of de werving naar Nederlandse normen toelaatbaar was, maar over de vraag hoe een conflict met Engeland kon worden vermeden. Van Kessel: ‘Men had hier eerder geprobeerd om met Zwitserland collectieve contracten te sluiten voor de soldatenwerving. En eigenlijk werd er in Nederland vooral gediscussieerd over de vraag: Kunnen wij de Engelsen ervan overtuigen dat wij de negers als Zwitsers beschouwen?’

Vrijwilligers
In Nederland was men ervan overtuigd dat tekenen voor het koloniale leger voor de meeste Afrikanen een geweldige stap vooruit was. Dat de werving niet onmiddellijk een succes werd, was dan ook een enorme verrassing. Van Kessel: ‘In Den Haag had men een merkwaardig beeld van Afrika. Men dacht dat mensen in extreme armoede leefden, er miserabel aan toe waren omdat ze met wrede despoten te maken hadden. In werkelijkheid waren mensen niet zo vreselijk ontevreden en hadden ze geen reden om weg te gaan.’ Aan de luitenant-kolonel Last, al vijftien jaar lang werkzaam aan de kust van Guinee, was niets gevraagd. Van Kessel: ‘Last was goed ingevoerd in de lokale samenleving en had zo kunnen vertellen dat vrijwillige werving nooit zou lukken. Ik denk dat ambtenaren in die marginale gebieden niet serieus genomen werden. De kust van Guinee was ooit belangrijk geweest als steunpunt in de goud- en de slavenhandel, maar in de negentiende eeuw was er niets meer, het kostte alleen nog maar geld.’
En zo duurde het vijf jaar voordat de eerste lichting van honderdvijftig ‘vrijwilligers’ was overgebracht. De rekruten waren mensen die schulden hadden, voor hun ouders moesten zorgen of een gevangenisstraf konden afkopen. Op één overtocht waren er zelfs maar zeven vrijwilligers weg op een schip waar plaats was voor vijftig man. Van Kessel: ‘Als je omrekent wat het transport van die rekruten heeft gekost, dan waren het de duurste soldaten die het KNIL ooit heeft gehad. Eenmaal in Nederlands-Indië voldeden ze wel goed. Een enkeling verstond een klein beetje Nederlands en als kustbewoners waren ze gewend aan de omgang met vreemdelingen. Het ging niet met iedereen goed, een deel kreeg dysenterie of heimweeziekte. Soldaten die helemaalmataklap waren werden terug naar huis gestuurd of gingen naar het oudemannenhuis in Semarang. Maar wie door het eerste jaar heen kwam, kon zich redelijk goed aanpassen. Dat moest ook wel, het leger was een totaalinstituut, een substituutfamilie waar je hele leven van afhing.’

Opstanden
In 1836 werd er, in een poging om de werving beter te laten verlopen, een werfdepot geopend in Kumasi. Tegelijkertijd begon Verveer aan zijn missie om rekruten te werven via de Ashanti. Vanaf dat moment werden er vooral Donko’s aangemeld, ongeletterde mannen uit het binnenland die slaaf waren van de Ashanti. Zij kregen een akte van manumissie, vrijlating, als zij tekenden voor het KNIL. Deze groep soldaten bleek zich veel moeilijker aan te passen in Nederlands-Indië. Van Kessel: ‘De communicatieproblemen waren veel grote r. De tweede lichting rekruten kwam uit verschillende delen van Afrika en sprak verschillende talen. Hun gemeenschappelijke taal werd eerst Fanti en later, toen ze inlandse vrouwen kregen, Maleis. Maar in het leger moesten zij Nederlands spreken, ze mochten immers niet te veel verbroederen met de lokale bevolking. De taalproblemen zorgden ervoor dat instructielessen veel meer tijd kostten dan bij inlanders en Europeanen.’
Gaandeweg ontstonden er ook problemen vanwege de Europese status van de Zwarte Hollanders. Van Kessel: ‘Die mannen beschouwden zichzelf niet als Afrikanen toen ze in dienst traden, ze waren Ashanti, Mossi of Fanti. Hun clan was hun identiteit. Eenmaal in Indië gingen ze zichzelf beschouwen als Afrikanen, om zo aanspraak te kunnen maken op de Europese behandeling die hen was toegezegd.’
De legerleiding in Indië wist daar niet goed raad mee, meent Van Kessel: ‘In West-Afrika waren de raciale vooroordelen minder sterk omdat het handjevol Nederlanders dat daar zat, niks te vertellen had. Zij konden zich alleen handhaven door samenwerking met lokale vorsten en ze hadden zelf ook allemaal een Afrikaanse vrouw. Maar in Nederlands-Indië bestond een koloniale hiërarchie waarin Molukkers de favoriete soldaten waren. Zij hadden bijna een Europese status en werden ook veel beter behandeld dan de inlandse soldaten. De legerleiding wilde de Afrikaanse soldaten niet beter behandelen dan de Molukkers en daarmee ontstonden er fricties. De Afrikaanse soldaten kregen net als de Molukkers geen sokken meer, ze moesten hun matras inleveren en kregen een slaapmat. Dat leidde in 1840 tot opstanden. Het ging er niet eens om of ze die sokken en het matras echt nodig hadden, maar het recht op een Europese behandeling was voor Afrikanen essentiee l. De legerleiding vond dat die nikkers hun plaats niet kenden en was bang hun verwaandheid nog verder op te blazen.’

Dapper en loyaal
Toch werd er over het algemeen lovend over de Afrikaanse soldaten gesproken, concludeert Ineke van Kessel uit haar research. ‘Wat me opvalt is dat er geen sporen van verbazing zijn bij de legerleiding, alsof het vanzelfsprekend was dat er ook zwarte compagnieën waren. Het KNIL was blij met de Afrikanen omdat ze zichtbaar anders waren, ze joegen inlanders angst aan doordat ze fysiek veel imposanter waren. Men vindt hen wel luidruchtig en wat overmoedig in de strijd, maar ook dapper en loyaa l. Een officier schreef dat het als een gunst werd beschouwd om commandant van een Afrikaanse compagnie te worden. Ze werden ook wel eens gezien als barbaren, maar dat waren de Atjeeërs ook. Dat ze konden vechten met slag- en steekwapens was een groot voordeel, dat vonden Hollanders bloedeng.’
De vraag wat de Afrikaanse soldaten er zelf van vonden is helaas niet te beantwoorden. De meesten van hen waren ongeletterd. Van Kessel vond twee uitzonderingen. De eerste was Abraham Ruhle, een geletterde tolk uit Elmina. Hij schreef regelmatig brieven aan zijn moeder, maar in het archief zijn alleen de antwoordbrieven van moeder bewaard gebleven. De tweede, sergeant Pieter Hermans schreef bezwaarschriften toen hij officier werd en vanaf dat moment een half traktement kreeg, zoals gebruikelijk was voor inlanders. Maar afgezien daarvan moet je raden hoe het is gegaan. Als iemand steeds vrijwillig bijtekende, kun je ervan uitgaan dat hij redelijk gelukkig was.’
Een deel van de soldaten ging terug naar West-Afrika en ging in Elmina wonen op wat later Java Hill genoemd werd. Van Kessel: ‘Zij kregen pensioen uitbetaald en als ze overleden kregen ze van overheidswege een doodskist uitgereikt. Dat hoorde bij de privileges. Bij kleine expedities deden ze gretig mee. Ze waren kennelijk trots op hun militaire verleden. Nederlandse ambtenaren schreven wel over de oude getrouwen van Java Hill met hun onderscheidingen en zakboekjes’.

Indo-Afrikaans Kontakt
Veel zoons van KNIL-soldaten werden zelf ook soldaat. Zij kwamen na de onafhankelijkheid van Indonesië in Nederland terecht. Het Indo-Afrikaans Kontakt, waarvan archiefonderzoeker Daan Cordus tot 2004 voorzitter was, verenigt ongeveer 250 afstammelingen van de Zwarte Hollanders. Veel mensen weten niet dat hun stamvader uit Afrika komt. Ineke van Kessel vertelt over een vrouw van wie bij toeval was ontdekt dat ze een Mossi-gen in haar bloed had. ‘Het verhaal over haar voorvader kwam pas boven tafel nadat ze daar in haar familie vragen over stelde. In veel families is het verhaal niet doorverteld omdat het niet opportuun was, bijvoorbeeld omdat de schoonfamilie niets wilde weten van de zwarte roots van de familie.’
In andere families werd daar wel over gepraat, maar zijn de verhalen steeds een beetje veranderd, vertelt Van Kessel: ‘Ik ken een mevrouw die volhield dat haar stamvader uit Zuid-Afrika kwa m. Ze vertelde dat haar oma altijd liedjes uit de boerenoorlog zong en dat haar overgrootvader een Mossi was, uit Mozambique. Hij zou als slaaf van een Britse plantage-eigenaar verkocht zijn aan een KNIL-sergeant in Port-Elisabeth. Ik ben gaan zoeken in de stamboeken en vond inderdaad de naam die ze noemde maar hij was een Mossi uit wat nu Burkina Faso is. Hij reisde naar Nederlands-Indië op een schip dat De Elisabeth heette. Zo’n verhaal heeft zich helemaal losgezongen van de historische werkelijkheid.’
Families die maatschappelijk succesvol zijn, zijn meestal wel trots op hun achtergrond. Zo ontdekte journaliste Griselda Molemans dat haar stamvader een Mossi was. Ze ging op reis en ontdekte heel oude mannen in Womsom, Burkina Faso de nog konden vertellen over zijn verdwijning. Inmiddels schrijft ze een boek over haar zoektocht.

Sterke verhalen
De familiegeschiedenis van Daan Cordus is ook een hoofdstuk apart. Maar hij zou er nauwelijks iets over geweten hebben als hij jaren geleden niet de koffer van zijn overleden oom redde van het grofvui l. ‘In die koffer zaten vier getypte velletjes, in 1939 geschreven door Doris Land, de oom van Daan Cordus. Hij was de zoon van een Afrikaanse soldaat die het zelf tot kapitein had geschopt.’
Doris Land wilde niet weg uit Indonesië maar was er als oud-KNIL-militair zijn leven niet zeke r. Hij kon in Nederland niet goed wennen en leidde een teruggetrokken leven met zijn Javaanse vrouw. Van Kessel: ‘Uit zijn tekst blijkt dat hij redelijk accurate kennis heeft over de kust van Guinee, Elmina, verdrag van Verveer en het ontstaan van de kampong van Poerworedjo. Hij heeft daar nooit over gesproken, die vier velletjes stopte hij in een koffer met familiepapieren. Die koffer nam hij in 1956 mee naar Nederland. Na zijn overlijden ruimden zijn dochters zijn spullen op en gooiden die koffer bijna weg.’
Het is een van de vele sterke verhalen die Ineke van Kessel ontdekte in de geschiedenis van de Zwarte Hollanders. Ze had graag willen weten hoe Doris Land zijn geschiedenis heeft ervaren. ‘Hij vond het relaas belangrijk genoeg om op te schrijven, maar waarom heeft hij er nooit iets over verteld? Daan Cordus zei dat de familie er ook nooit naar gevraagd heeft. In Indië vroeg niemand zich af waar hij of zij vandaan kwam, pas in Nederland kregen mensen daar vragen over. Voor het verhaal van Doris Land was dat te laat.’

Zwarte Hollanders. Afrikaanse soldaten in Nederlands Indië. Ineke van Kessel, met een voorwoord van Arthur Japin. KIT publishers, 280 pagina’s, geïllustreerd, € 22,50, ISBN 90 6832 498 5

Meer informatie:
www.indo-afrikaans-kontakt.nl